Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Couperus hem teekent in zijn diep-dichterlijk werk '). — En toch is het element van ruwheid en van waanzin nooit geheel uit Dionysus' vereering verdwenen. Het woeste zwelgen bij nacht bleef bestaan, zij het dan ook naast een meer kalme en sereene aanbidding, een Olympischen dienst met offers en wijgeschenken. Maar nog in 186 vóór Christus achtte de Romeinsche senaat, de waardige vroede vaderen van een opkomend heerschersras, het noodzakelijk, paal en perk te stellen aan de uit Griekenland overgenomen uitspattingen, de Bacchanalia, die te vroeg het krachtig moreel van Latiums boerenbevolking dreigde te ondermijnen.

Dionysus' binnendringen in Griekenland

Vóór wij nu overgaan tot een beschouwing van den lateren Griekschen Dionysus, moeten wij eerst het tijdperk van overgang bespreken, den strijd, die daarbij gevoerd werd en de menschen, die hem streden.

Dat Dionysus omstreeks 1000 vóór Christus bij de Grieken binnendrong, kunnen we opmaken uit Homerus. De Ilias noemt hem maar op twee plaatsen, vluchtig en blijkbaar zonder dat de dichter veel gewicht hecht aan den „razenden god". Het is vooral in het zesde boek van de Ilias, bij de ontmoeting van de tegenstanders Glaucus en Diomedes. De laatste zegt tot den eerste: „Zijt gij misschien een god — dan wil ik niet tegen u strijden".

„Immers de zoon ook van Dryas, de heldhaftige strijder Lycurgus, Leefde niet lang, die tegen onsterflijke goden dorst strijden; Hij, die de voedsters der razende godheid durfde vervolgen, Jagend ze over het heilig gebergte Nyseion; zij allen Wierpen haar staven ter neer, door den woesten Lycurgus Wreed met den prikkel geslagen. Toen vluchtte ook Dionysus, Dook in de golven der zee, en Thetis borg in haar boezem Hem, den angstigen god, die sidderde voor de bedreiging. Toen dan toornden hem de makkelijk levende goden; Cronus' zoon maakte hem blind. Niet lang meer bleef hij in leven, Hij, die den haat had gewekt van alle onsterflijke goden".

Duidelijk hooren wij hierin al een weerklank van de botsing

') Dionyzos. Amsterdam, bij L. J. Veen.

Sluiten