Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maai andere dan de massa zagen de mystici Dionysus. Ondei invloed van de mystiek, die door den extatischen cultus was opgewekt, hadden zich in Griekenland gesloten secten ontwikkeld. Zij vereerden Dionysus, maar noemden zich naar den Thracischen heros Orpheus, die Dionysus, zijn landsgod, in Hellas zou hebben ingevoerd, en als stichter van diens mysteriën gedacht werd.

Het bijzondere van deze secten was, dat zij een bepaalde leei hadden — iets dat overigens in de Grieksche religie met haai bonte afwisseling van allerlei tegenstrijdige mythen en legenden niet voorkwam. Aan echt-religieuse, mystiek aangelegde naturen kwam die verwarde godenleer niet het minst tegemoet; de zoekers wendden zich geheel van haar af, om bevrediging te vinden in speculatieve wijsbegeerte. Het was de kern-vraag van het religieuse denken, de oorsprong van het kwaad, die zich bij hen opdrong, en waar zij in het volksgeloof geen antwoord op konden vinden.

De Thiacische vruchtbaarheidsgod gaf hun dat antwoord wel. Dionysus was eens door de Titanen, de geweldige aard-reuzen, verscheurd en verslonden ). Zeus had de moordenaars van zijn kind met zijn bliksem verslagen, en uit de asch van hun lichamen was de mensch verrezen. En zoo was de mensch geworden een mengsel van goed en kwaad: het goede uit Dionysus, dien de Titanen in zich hadden opgenomen, het kwade uit de Titanen zelf.

Naïef dualisme: het Dionysisch-goede was de ziel, het Titanisch-kwade het lichaam. De mensch, die omhoog streeft, moet zich van het aardsche, het stoffelijke, de „banden des lichaams" ontdoen, en zich opwerken tot den God, aan wiens geest hij verwant is: den God van de vruchtbaarheid en de natuur, die in extase gekend wordt en zich aan zijn vereerders in heilige momenten openbaart.

Zoo was het uitgangspunt van den ouden barbaarschen dienst, de vereeniging met de godheid, hier welbewust vergeestelijkt. De mystieke speculatie dei Orphische secten

') Een gedachte, die uit het offer-ritueel was ontstaan; zie p. 20.

Sluiten