Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voeden, welke weer eens aan de orde van den dag is, legt daar den noodigen nadruk op. Het kind heeft veel en geconcentreerd voedsel noodig; zijn spijsverteringsorganen stellen het evenwel nog niet in staat heterogene voedingsmiddelen zelfstandig te verwerken. Daarom moet zijn voeding door een ander organisme als 't ware „geanimaliseerd", d. w. z. voorbereid en meer in overeenstemming met zijn natuur gebracht worden. Er is dan ook een hemelsbreed verschil tusschen de, we zouden haast zeggen „levende", direct uit het eene organisme in het andere overgaande moedermelk en de melk van koeien en andere dieren, waarvan de „levenskracht" tot een minimum gereduceerd of door kooken geheel teniet gegaan is en welke bovendien nog „soortvreemd" is.

Elke kunstmatige voeding beteekent voor het kind een plotselinge in plaats van een geleidelijken overgang.

Terwijl lichamelijk arbeidsvermogen den eenen kant vormt van het vraagstuk der veredeling van het menschelijk geslacht, wijst de andere op geestelijke beschaving. Het voldoen aan dezen tweeden eisch vormt het geestelijke deel der moederlijke beïnvloeding en wij moeten dankbaar erkennen dat de vrouw dezen ook van oudsher, overeenkomstig elk bijzonder cultuurstadium, vanzelf, doelmatig en op bevredigende wijze heeft vervuld, zonder alles aan te laten komen op mannelijke speculaties.

Zooals ik elders *) heb uiteengezet, moet de vrouw heden ten dage zich aanpassen aan het veranderde milieu en meer dan ooit haar volle persoonlijkheid ontplooien bij de vorming en ontwikkeling van haar nakomelingschap, daar het aantal geestelijke goederen, welke te verwerven en overerfbaar zijn, buitengewoon is toegenomen.

Zoo moet het kind het werk der vrouw zijn, waardoor zij haar eigen familie, de gemeenschap en de beschaving dient en zichzelf onsterfelijk maakt.

Zoo vormt het kind een levend monument van de blijvende aanwinsten der beschaving en stelt het aan de moeder

') Sellheim H., „De bekoorlijkheden der vrouw en haar beteekenis voor de cultuur. Stuttgart, F. Enke 1909.

Sluiten