Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

invloed uitoefenen, en daarmede ook van het cultuurzenith even ver verwijderd.

De menschelijke natuur dient het veilige midden te houden tusschen twee uitersten: ruwheid en al te groote verfijning.

Het wezen der waarachtige humaniteit bestaat in een zoo volkomen en harmonisch mogelijke ontwikkeling van het physische en het psychische in de menschelijke natuur. De gansche geschiedenis der beschaving getuigt van deze voortdurende worsteling der menschheid om een dergelijke natuurlijke en evenwichtige mate van humaniteit te verwerven. Zij getuigt tevens van een onophoudelijk heen en weer schommelen tusschen de beide uitersten: onbeschaafdheid en overbeschaving. Nooit is men in het leven der volkeren verder gekomen dan tot een zekere mate van benadering van het ideaal en dat nog slechts tijdelijk en voorbijgaand.

Zoo vindt men ook in het individueele leven slechts fragmenten der humaniteit: getuige de algemeene klacht, dat slechts zelden voldoende ontwikkeling van lichaam en geest, van verstand en gemoed, van wetenschap en kunst, van consequent zich uitlevenden moederlijken zin en geestelijke productiviteit samengaan en dat een welbewuste ontwikkeling of het behoud van den een maar al te vaak op kosten gaat van den ander.

De humaniteit in den hoogsten zin des woords vindt men dan ook bij een cultuurvolk verbrokkeld onder de verschillende standen, leeftijdsklassen en geslachten.

Juist in de door wederkeerige aanvulling bereikbare hatr monie beider geslachten heeft de natuur ten minste haar kinderen, aan wie het als eindige wezens niet vergund is alles tegelijk te bezitten, herinnerd aan de eenheid, welke tot elk hooger streven in staat stelt en hun tevens stof gegeven tot hartstochtelijk verlangen, dat hen doet vergeten, dat zij tot een gescheiden bestaan veroordeeld zijn.

Onder de verschillen, die de wereldorde in stand houden, moeten de sexueele dan ook zeker als de belangrijkste in het organisch leven beschouwd worden.

Sluiten