Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het woord „ik" geeft een begrip weer, dat, hoewel niet in woorden te definieeren, door iedereen begrepen en gevoeld wordt. Niemand verwart zichzelf met iemand anders.

Wanneer wij onze aandacht op iets concentreeren, dan lijkt ons onze ikheid eenig en ondeelbaar. Alsof er ergens in onze hersenen een klein wezentje zat, dat onze gedachten ordent en regelt, onze gewaarwordingen in ontvangst neemt, onze voorstellingen bewaart, en alles wat in ons bewustzijn plaats vindt, beschouwt en critiseert. Maar bij nadere overweging wordt dat kleine wezentje steeds onwezenlijker en verdwijnt geheel in 't niet.

Ons ik is onafscheidelijk van ons bewustzijn. En ons bewustzijn is iets, zoo samengesteld als men zich maar bij mogelijkheid voorstellen kan, en nog oneindig meer.

Het is een buitengewoon onderhoudende en leerrijke bezigheid om gade te slaan, hoe een zuigeling in de eerste maanden van zijn verblijf onder de zon zich langzamerhand een bewustzijn opbouwt. Het bewustzijn groeit naarmate de zintuigelijke gewaarwordingen van het kind toenemen. Bij de geboorte brengen de hersenen reeds verschillende voorstellingen mee; in utero heeft het kind verschillende vegetatieve en tastgewaarwordingen gehad, die in de hersenen blijvende veranderingen hebben aangebracht. Maar eerst vanaf de geboorte begint het kind regelmatige en talrijke indrukken te krijgen; in de eerste plaats van zijn eigen lichaam, in de tweede plaats van de buitenwereld. Stellig gaat het ikheidsbesef zich eerst na de geboorte ontwikkelen (en nog niet eens dadelijk); eendeels door de kennismaking met het eigen lichaam, aan den anderen kant door het leeren kennen van de omgeving als iets buiten het eigen lichaam.

Met de studie van het eigen lichaam begint het kind direct na de geboorte; en wel voornamelijk door betasting. Als het doodstil ligt voelt het bv. zijn extremiteiten niet als zijn eigendom. Maar het wrijft zijn voetjes tegen elkaar en leert ze voelen als een deel van zichzelf; het zwaait met zijn handjes in zijn gezicht, en voelt neus, mond en oogjes; het beweegt teentjes en vingertjes in allerlei richtingen tegen elkaar 293

Sluiten