Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Thomas Aquinas te Amsterdam. Daardoor ging er een heel ander leven voor hem open, zoodat zijne „onderziel" langzamerhand „bovenziel" werd, waarvan 't gevolg was, dat hij, na veel innerlijke beroering, ook weer de kerkelijke plichten herstellen ging, die hij sinds zijn „val" geregeld verwaarloosd had. Fré was nl. katholiek, en had tot het einde zijner schooljaren een goede katholieke opvoeding genoten, ten huize zijner grootouders, bij wie hij, nauwelijks 17s jaar oud, opgenomen was, zonder dat hij zijne ouders ooit weer had ontmoet. De reden daarvan kan ik verzwijgen. Ik moet bovendien ook verzwijgen veel van wat overigens nog met Fré in verband staat, en met den innerlijken strijd, die aanvankelijk tusschen de beide deelen van zijn bewustzijn werd afgespeeld. Ik zal alleen nog maar zeggen, dat er te midden van dien strijd ook een dichter uit Fré is gegroeid, en welk een dichter, dat zal zoo meteen blijken, als ik een naderen blik schenk in zijn innerlijk leven. Eerst deel ik nog mede, dat Fré eindelijk de vocatie kreeg, om in een klooster te gaan, en omdat onder zijne omstandigheden die vocatie niet voldoende betrouwbaar was, wist ik van den Minister gedaan te krijgen, dat hij met vervroegd onvoorwaardelijk in de maatschappij werd teruggeplaatst. Hoe zich daar de innerlijke strijd bij hem heeft voortgezet, is mij bekend, doch laat ik rusten, maar dat zijne „onderziel" het gewonnen heeft, blijkt wel uit het feit, dat hij nu sinds enkele jaren kloosterling is. Kort voor zijne opname in het klooster ontving ik van uit een ziekenhuis, waar hij als patiënt was opgenomen, een gedicht van zijne hand, zooals hij mij meerdere gezonden heeft, maar vooral dit gedicht is merkwaardig, omdat het eindigde met het volgend, slotsonnet:

Nu dwaalt mijn aandacht rond in tempel van geluid:

De zusters zingen ginds haar lieflijke avondzangen

In 't kleine kerkgebouw van bloem en groen omhangen,

Alsof 't een Mei van Geluk binn' hare wanden sluit.

En Lente om mij stuwt haar klaarst geklater uit,

Een zegelied van purperen lustverlangen

Zoo rijk in 't eindloos jub'lend vreugd ontvangen

Van zang en bloesem als een koningsbruid.

En suizelend ruischt zijn blanke tuinen rond

Mijn eigen jeugdig lied, waarvan de strofen deinen

Sluiten