Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft. Zelfs Brutus. Maar toch sterft Ceasar niet door den haat van Brutus, niet door zijne gramschap, noch door zijn afgunst, noch door zijn hoogmoed, doch door zijn verblindheid, gelijk bij de verdere uiteenzetting van dit zielkundig probleem blijken zal. Voor zoover Brutus betreft, sterft Ceasar niet door het gevoel, dat scherp uit de oogen ziet, maar door een redeneering, die zich vergissen kan, en dadelijk staat dan ook Antonius klaar, om van deze vergissing gebruik te maken, door de volksinstincten wakker te schudden, die er nog levende zijn in Rome. Brutus moet vluchten, maar straks is de gevluchte Brutus een gebroken man. Toch blijft hij met zijne vergissingen geregeld voortgaan, en ofschoon doodmoe van de vele gebeurtenissen, die hij beleeft, spitst hij meer en meer de theoretische beginselen uit, die hem tot zijn misdrijf hebben geleid. Dit duurt zoo voort, totdat de dood bij hem komt aankloppen. Immers de voorspelling van den dood klinkt hem niet slechts als eene verlossing in de ooren, maar brengt tegelijk ook weer de eigenlijke bezinning over hem terug. Wat is zijn leven anders geweest dan zelf bedrog ? Had hij wel ooit redeneerenderwijs mogen medewerken aan den dood van Ceasar ? Waarom heeft hij dan een herschenschim, een idee, gesteld boven het wezen zelf, de menschelijkheid, en waarom werden goedheid en medelijden en dankbaarheid en liefde aldus door hem geschonden? Omdat in het bewustzijn de redeneering gekomen was, die zijn vroegere liefde naar het onderbewustzijn verdrongen had, maar die toch zóó niet kon worden verdrongen, of ze bleef nog voortdurend spoken in het hart van Brutus. De geest van Ceasar, die hem bij Philippi nog eens verschijnt, is zijn „evil spirit" geworden, de ondergrond van zijn innerlijk bestaan, en het teeken, dat inderdaad de elementen in zijn ziel vermengd waren, gelijk ze vermengd zijn in ieder mensch. Sprak ook Goethe van die vermenging niet in zijn Faust? Moet Mephistopheles niet telkens ondervinden, dat ein guter Mensch in seinem dunklen Drange sich des rechten Weges wohl bewust ist, en getuigt het niet van de diepste levenskennis, als de dichter ons op een andere plaats in enkele strofen herinnert aan de dubbelnatuur, die we van huis uit rond dragen in ons leven:

Sluiten