Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bikkels en noten nog draagt in 't boezemkleed". Zeer ten onrechte werd dit ook eens ten laste gelegd aan een Romeinsch hekeldichter, maar dat geschiedde door een „deugdleeraar", die zichzelf niet kende, en dat mag uit den aard der zaak nooit gezegd kunnen worden van een deugdleeraar. l) Doch aan een parvenu kan het wel ten laste worden gelegd, en als dan ook Hildebrand in zijn „kopieerlust des dagelij kschen levens" ons het beeld van een Stastok of van een Kegge teekent, dan zien we inderdaad, dat ze op hun volwassen leeftijd nog niet ontkomen zijn aan wat ze in hunne jeugd hebben gedaan en meegemaakt. Kegge vooral. Meneer Kegge moet niets hebben van al die adellijke heeren en groote hanzen, allemaal gekheid, maar onderwijl laat hij op zijn rijtuig een wapen schilderen, zijn wapen, een keg op een gouden veld, en er bovenop een planterskroon van suikerriet en koffieboonen! En (blauwe duiven hebben blauwe jongen, zooals we zeggen in onze Groninger volksspraak) en de dochter, Harriot, my dear, is 't evenbeeld van Papa, en als nicht Saartje binnenkomt, Saartje met de mof, slaakt ze dan ook een diepen zucht en ze vindt dat Saartje „ontzaglijk" vroeg komt, want Mama slaapt nog, en wat die verguldpartij betreft bij Saartje, hoe zou nu zij kunnen gaan naar een verguldpartij, als zij, Harriot, my dear, zelf drie dagen later een concert moet geven. En Mama, die nog slaapt, als Saartje een bezoek komt brengen, hoe verrukt is die, als Van der Hoogen zijn complimentjes af komt steken, en straks, als Van der Hoogen is weggewerkt, omdat hij de onschuld heeft belaagd van juffrouw Noiret, dan nog vergeet Mama de complimentjes niet, die aan haar en in hare tegenwoordigheid zijn gemaakt: „Ik heb hem altijd een heel beleefd mensch gevonden," zegt Mama, „hij heeft mij nooit iets misdaan, en i k kom er rond voor uit, dat het m ij spijt, dat hij nu niet meer komen zal".

„Allemaal gekheid," antwoordt de heer Kegge, „het eenigste is, dat er nu niemand meer is voor de muziek met Henriëtte"

Toch was Kegge in zijn hart niet kwaad, maar hij had

') Ze Horatius, Satire 3, boek II, vertaling van Dr. Van der Weerd. 357

Sluiten