Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te nemen en tevens dus de gelegenheid, om zich verder met een of ander minderwaardig baantje te behelpen.

Om 't op afkeuring door een of twee geneesheren, — meest Uchaamsdokters tot nog toe, — te laten aankomen, lijkt mij zulk er-langs-heen-werken. Ik heb, meen ik, — ik heb 't ten minste geprobeerd, — enigzins duidelik gemaakt, dat de meeste symptomen van onze beroepsziekten toch ontsnappen aan de stethoscopen, enz. van de artsen, daar 't de onnaspeurlike drijfkracht van de lichaamsmachine meestal is, waar 't aan hapert. Wanneer een onderwijzer zich niet meer, of nog steeds niet, tuis voelt in zijn vak, dan weet hij zelf 't best, wanneer hij ongeschikt wordt.

En als 't bv. billik is,

dat een officier in 't volle bezit van z'n gezondheid zijn dienst met pensioen kan verlaten, wanneer hij wil, —

dat een Indies onderwijzer, ook bij volledige gezondheid, slechts 20 jaar hoeft te werken en dan een behoorlik pensioen krijgt, —

dat een kamerlid (dat zijn beroepslijtage toch stellig meer in eigen hand heeft dan een onderwijzer) bij bv. slechts 10 „dienstjaren" reeds f 1000 pensioen geniet, —

waarom zou 't dan önbillik zijn, dat na bv. 25 jaar de niet-volkomen-valide onderwijzer de dienst kan verlaten met slechts voor elk dienstjaar V«o van zijn waarlijk niet weelderig salaris.

Wanneer ik wetgever was, zou ik, alléén uit een oogpunt van billikheid jegens de personen zelf, wel de mogelikheid durven openen van een vervroegde uittreding voor de minder krachtigen. Maar het hoeft zeker geen nader betoog, dat spesiaal bij de „dienst", dié onderwijs heet, het vervangen van afgewerkte, of uit 't lood geslagen krachten door frisse, allereerst in het belang van die dienst zélf is.

En daarom: Maak het de voor hun tijd verzwakten wat gemakkelik; zij hebben in elk geval een respektabel stuk werk achter de rug.

Sluiten