Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Elzebee (droog). Wat u zegt (keert haar den rug toe).

Sam (buiten). Ze zijn in 't zicht, hoor. Van Hove gaat tenminste nog langzaam en zeker ; maar die broer van jou, contessina, 't is goddor ie een schancje! Om de tien tellen ligt hij op zijn snuit. Als je maar weet dat hij alleen den gids kan betalen.

Elzebee (isgaan zitten, tot Thorwald). Beste, wrijf mijn handen eens.... Nee, Sam ik vraag het hèm. Maar goed, dan jullie ieder één; hier .... (steekt beiden een hand toe). O, zalig warm voelen jullie. Pas op, in de maat; anders geeft de een meer dan de ander. Eén, twee; — één, twee; — . . . . (Jan ergert zich. Elzebee dit ziende, gaat met opzet door) Engelen zijn jullie; één, twee; — één, twee ....

Sam. Dat is het; — nou eerst naar dat uitzicht; 't duurt nog wel een half uur eer die anderen hier zijn.

Elzebee. Mij^ best. — Jongens, help me op; hu, wat ben 'k stijf (slaat, om Jan te ergeren, haar armen om den nek van Sam en Thorwald,

die haar lachend optrekken). Hupla Oeijoei f

jan (tot Jolanda). Bent U er niet te moe voor?

Sluiten