Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VII.

Van een kleinen rotstoren op de Moine-Verte-graat.

(19 Augustus 1910).

Sa cime était petite, mais a lui, elle était apparue trés haute, et elle lui avait donné toutes les émotions des montagnes grandes et difficiles.

Guido Rey.

Daar stond ergens op de graat, die den Moine met den Aiguille Verte verbindt, een kleine rotspunt. Als een scherp torentje stak zij er uit, maar zoo terloops van beneden gezien vormde zij slechts een oneffenheidje, was niets meer, maar ook niets minder dan de karteltjes, die op dergelijke kammen veel voorkomen. Op geen kaart kon men het rotspuntje vinden; in geen enkel reisverhaal werd het genoemd. Dat kon ook eigenlijk niet, want het droeg niet eens een naam, zelfs geen hoogtecijfer. Alpinisten, die op hun eenzamen tocht tusschen hemel en aarde dit torentje daar vonden staan, boven op dien smallen, wilden kam, zullen er wel omheen zijn geklauterd. Misschien hebben ze het verwenscht, omdat het hun oponthoud bezorgde op hun langen weg naar een meer belangrijk doel.

En toch had dat kleine puntje onze opmerkzaamheid getrokken, eigenlijk onbewust, op dezelfde wijze zooals we soms onzen blik voelen vastgehouden door een ons onbekenden persoon, die noch door opvallende grootte, noch door bizondere schoonheid boven zijn omgeving uitsteekt, maar die toch anders is, dan de menschen om hem heen.

Toen we wéér eens, als bij toeval, ons oog vestigden op dat rotspuntje, vonden we toch dat het in al zijn nietigheid veel sierlijker was van lijn, veel trotscher van bouw dan tal van zijn machtiger natuurgenooten in zijn onmiddellijke omgeving. En toen er nog eens onze aandacht op viel, scheen het

Sluiten