Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Laat varen dat! Het gaat voorbij! Maar vroeger heb jij nooit tot mij Op deze wijs gesproken.

Poot.

Wij waren kinderen die doen

Waar kindren naar verlangen. Maar in der stille tijden loop Komt andre vreugde, andre hoop En grooter wensch en bangen.

En als de dag 't vergeten wil

Brengt toch de nacht het weder. En als de morgen zwijgen zal Daalt toch, des avonds, liefgetal, Die hope tot ons neder.

Wij moeten thans lijk menschen doen

Die 'tbetre slechts behouden. Ik draag hier duizend liedren nog, Wat baat het mij? zij zwijgen toch In d'armoe van Abtswoude.

Pleuntje. En hoe nu kan ik blijde zijn

Omdat ik niets kon geven, Van wat gij hoopt of wat gij vreest? Wel d'armste ben dan ik geweest

Van heel dit arme leven!

O dwaze, dat ik immer dacht Ik was U 't rijkst van allen! Ik schonk uw hart den vrede niet, Geen hope zelfs en niet uw lied, En zelfs geen welgevallen 1

ZESDE TOONEEL. Vorigen Waard. Waard.

Heer Poot, daar is het groote vat, Een glorie om te aanschouwen ^

Zij hebben ons dat edel nat Te Leiden zelf gebrouwen.

Sluiten