Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gij deerne, breng de kroezen aan,

lk hoor den stoet genaken. Thans zal het aan een zuipen gaan

Totdat de ribben kraken.

Dat is een heele eer, heer Poot,

Van zulke fijne lieden. Abtswoude lijkt wel eens zoo groot

Dat zoo iets kon geschieden.

ZEVENDE TOONEEL. Allen.

Van der Dussen. Thans, heer speelman, is 't genoeg,

Dank, mijn vrienden, voor 't geleide, Maar de man waar elk om vroeg

Staat bescheiden nog ter zijde.

(Aan Poot voorstellend).

Hier de Heer van Lodesteyn,

Kapitein van Hollands benden. Mint de liederen, mint den wijn

En het blank rapier te wenden.

(Zy groeten.)

Dezen meester in de kunst

Van 't geslacht van Zevenkoten Heeft Apollo's hooge gunst

Aan der Muzen hart gesloten.

(Zij groeten.)

En al wie uit Goverts raad

Van der Dussens naam zou weten Kent mij ook als advokaat

En als minnaar der poëten.

(Alle vier groeten.)

Poot.

Uw komen heeft mij heusch op 't allerzeerst verrast. Het lijkt zoo groot een eer dat ze elk beschamen zoude. Maar welk verlangen, spreek, wat zond mij U te gast? Wat voert u hier tot mij en 'tnederig Abtswoude?

Sluiten