Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Swalmius.

Het is des Heeren dag, en tot Zijn dienst verkoren, Ik me,ende niet van straat hier psalmgezang te hooren. Wie sloop er daar om 't huis ?

van der Dussen (verrast).

Ik weet niet wat gij wilt.

Swalmius, (tot Zevencotius). En zijt gij meester hier van 't Zondagsnarrengild, En viert gij hier uw dienst van Goden en Godinnen En voert in rijmlarij het heidendom weer binnen ?

Zevencotius.

't Is dichters een gebruik, zoo luidt de dichtertaal, Al waar gij henen ziet, zij doen het altemaal.

Swalmius.

Zi] doen het averrechts. Er staat in 's Heeren boeken Nog stof in overvloed, — voor hem die 't wenscht te zoeken.

(tot Poot:)

En gij, heer Poot, hoezoo? Alweer op 't drinkerspad? Heeft Bacchus weer gewenkt? Is 't wijnfeest in de stad? Zijt daarvoor gij uw dorp en huis en hof ontloopen Om voor uw dichtergaaf een zwaren roes te koopen Tot schande voor de buurt? Waar blijft uw meesterlied? Of schenkt Apol zijn lier den knecht van Bacchus niet?

Poot:

O wee mij! Wee!

Swalmius: Ja wee! Nog niet geheel verdorven! Nog is de schaamte niet in 't angstig hart gestorven ? Het hoort de stem die roept, het ziet de straf die dreigt En krimpt van jammernis ofschoon de mond ook zwijgt. Wij zien elkander weer!

Van der Dussen:

Eerwaarde, spaar mijn gasten, Zoo iemand iets misdeed, het komt te mijnen laste, Hoe noode 't zij gezegd bij uw godsvruchtig werk De drempel mijner zaal is niet de stoel der kerk.

Sluiten