Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De freule.

Misschien! Maar dat ben jij ook! — Alles is wonderlijk, overigens. Het leven, de menschen,. het is alles slijk, dat drijft, drijft op het water, tot het zinkt, zinkt! Ik heb een droom, die soms terug-komt; die herinner ik mij nu. Ik ben op een zuil geklommen en zie geen mogelijkheid weer beneden te komen; het duizelt mij, als ik naar beneden kijk en naar beneden moet ik, maar ik heb niet de moed mij naar beneden te werpen; ik kan mij niet vasthouden en verlang er naar te kunnen vallen; maar ik val niet. En toch heb ik geen rust voor ik beneden ben, geen vrede voor ik beneden, beneden op de grond ben! En kwam ik op de grond, beneden, dan zou ik beneden onder de aarde willen... Ken je dat gevoel ?

Jean.

Neen! Ik droom gewoonlijk, dat ik onder een hooge boom in een donker bosch lig. Ik wil naar boven, haar boven in de top en rondzien over het lichte land, waar de zon schijnt — het vogelnest plunderen, boven, waar de gouden eieren liggen. En ik klim en klim, maar de stam is zoo dik en zoo glad en het is zoo ver tot den eersten tak. Maar ik weet, had ik maar den eersten tak bereikt, dan kwam ik in de top als langs een trap. Nog heb ik hem niet bereikt, maar ik zal hem bereiken, al was het in de droom.

De freule. Hier sta ik over droomen te praten, met jou.

Sluiten