Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STRINDBERG'S INLEIDING OP • „FREULE JULIE".

Zomer 1888.

Reeds lang is mij de schouwbuig, gelijk alle kunst, als een Biblia pauperum voorgekomen, een platen-bijbel voor hen, die niets geschrevens of gedrukts kunnen lezen, en dé tooneelschrijver als een leekenpriester, die de gedachten van zijn tijd in populaire vorm colporteert, in zoo populaire vorm dat de middenstand, die hoofdzakelijk de schouwburg vult, zonder veel hoofdbrekens begrijpen kan, waarvan er sprake is. Daarom is het tooneel altijd een volksschool geweest voor de jeugd, half-ontwikkelden en vrouwen; zij bezitten nog het geringe vermogen zich zelf te bedriegen en te laten bedriegen, dat wil zeggen: illusie te hebben en zich door den dichter te laten suggereeren. Het scheen mij daarom in onze tijd, waar het rudimentaire, onvolkomene denken, dat door de fantasie plaats heeft, zich tot reflexie, onderzoeking en bewijs te ontwikkelen schijnt, dat het tooneel, evenals de godsdienst, op weg was afgelegd te worden als een uitstervende vorm, voor het genot waarvan de noodzakelijke voorwaarden ontbreken. Deze gedachte wordt gesterkt door de tooneel-crisis, die nu in heel Europa heerscht,

Sluiten