Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heel uitgestraald; slechts enkele procenten gaan door de warmtegeleiding der stroomtoevoerdraden verloren. Van de uitgestraalde energie valt echter maar een zeer gering gedeelte in het zichtbare spectrum. In tabel V en in fig. 19 vindt men voor eene lamp voor 110 volt en 16 kaarsen aangegeven, hoe deze zich bij verschillende spanI ningen gedraagt.

Tabel V.

I Stroom- L . . |,„ , ,1 Licht- I Nuttig

ïpanning sterkte ^ Energie in Weerstand sterkte in effect ^

m Tolts I ampères | watts 'n ohms ] kaarsen | watt/kaars

90.0 I 0.382 I 34.4 I 236 I 4.97 6.93

100.0 0.4315 43.15 232 9.70 4.45

110.0 0.4825} 53.1 228 17.4 3.05

120.0 I 0.533 j 64.0 225 j 29.0 2.21

; 130.0 | 0.584 I 75.9 | 222 [ 45.4 | 1.67 Met 16 kaarsen bedoelt men hier, dat de ge¬

middelde lichtsterkte loodrecht op de as van de lamp gemeten 16 kaarsen bedraagt. Bij kooldraadlampen, die alle nagenoeg dezelfde lichtverdeeling hebben, is het gewoonte de lichtsterkte op deze wijze op te geven.

Men noemt de zoo gedefinieerde lichtsterkte ook wel de gemiddelde horizontale lichtsterkte Ih.

De gemiddelde sferische lichtsterkte Io is ongeveer 0,825 maal zoo groot. Om den lichtstroom in lumen te vinden, moet men dus Ih met 0,825 X 4t = 10,37 vermenigvuldigen.

Sluiten