Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op den soortelijken weerstand van den kooldraad, dan zien wij, dat deze met toenemende temperatuur afneemt. Dit is juist het omgekeerde van hetgeen bij metalen gebeurt; daar neemt de weerstand steeds met de temperatuur toe. Uit deze weerstandsafname vloeit voor de kooldraadlamp eene eigenschap voort, die in vele gevallen zeer storend kan zijn. Stijgt de spanning van het net een weinig, dan neemt de temperatuur van den gloeidraad toe en daarmee de weerstand af. Daardoor neemt de stroomsterkte sterker toe dan wanneer de weerstand constant gebleven was. Het gevolg is eene sterke toename van de temperatuur en daarmee van de lichtsterkte bij eene kleine verandering van de netspanning en wel voor 1 % verandering in de spanning: 6—7°/c variatie in de lichtsterkte. Nu is de spanning van het geleidingsnet zelden constant en spanningsschommelingen van 3 a 4% zijn volstrekt niet zeldzaam. In dat geval zal dus de lichtsterkte bij het gebruik van kooldraadlampen ongeveer 25% kunnen variëeren. Bij de metaaldraadlampen zijn die variaties veel geringer.

8. De gemetalliseerde kooldraadlamp.

In later tijd (1906) is het gelukt, de kooldraadlampen aanzienlijk te verbeteren. Door de draden gedurende korten tijd in een oven op zeer hooge temperatuur te gloeien, gelukt het de amorfe kool, waaruit zij oorspronkelijk bestaan, in gra-

Sluiten