Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stand of, wanneer* men met wisselstroom te doen heeft, met eene smoorspoel.

Wij willen nu het verband tusschen de spanning aan den boog en de booglengte bij verschillende stroomsterkten beschouwen (fig. 40). Men rtLT. ziet, dat de spannina recht¬

lijnig met de lengte van den boog toeneemt, doch dat er minstens 36 volt noodig is om een boog te verkrijgen. De spanning aan de lamp kunnen wij

J_.-_ J 1

r ï s 5 Ti) ons uil urie ueeieu ujjye-

Fig. 40. bouwd denken, den poten-

tiaalsprong aan de kathode, den spanningsafval in den boog en den potentiaalsprong aan de anode. De spanningsafval in den boog is evenredig met de booglengte. De twee potentiaalsprongen samen zijn juist gelijk aan de minimale spanning van 36 volt.

5. De stabiliteit van den lichtboog.

Wij zagen reeds, dat men eene booglamp zonder voorgeschakelden weerstand niet kan gebruiken. Wij kunnen ons nu afvragen, hoe groot deze weerstand moet zijn. De netspanning E is gelijk aan de som van de spanning aan den lichtboog IR en die aan den weerstand Ir, waarin R en r de weerstand van den boog, resp. van den voorschakelweerstand voorstellen.

Sluiten