Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schijnbare oppervlak, dat men onder een hoek a met de loodlijn waarneemt, cos a cM2., en daar de helderheid van a onafhankelijk is, moet het vlakje onder de hoek « dus ook een cos « maal zoo groote lichtsterkte geven als in de richting van de loodlijn.

De verdeeling van het teruggekaatste licht wordt dus door een bol voorgesteld (fig. 46). De lichtsterkte is het grootst in de richting loodrecht op het vlak en neemt naar alle richtingen gelijkmatig af.

Om het verschil in effect van een volkomen spiegelend en een

volkomen diffuus reflecteerend vlak nog beter in te zien, willen wij nagaan wat er gebeurt in het geval dat het reflecteerend vlak een hoek van 45 met

den gang der lichtstralen maakt

(fig. 47).

Bij het spiegelend vlak schijnen de teruggekaatste stralen van uit het spiegelbeeld L' van de lichtbron L, te komen. De lichtverdeeling is gelijk aan de oorspronkelijke. De bundel wordt echter begrensd door den kegel, die

Fig. 46.

Sluiten