Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Metingen van den physioloog A. König en in het bijzonder ook van P. G. Nutting, hebben eenig licht in deze kwestie gegeven. Zij bepaalden n.1. bij verschillende helderheden, hoe groot het kleinst waarneembare helderheidsverschil is.

In fig. 51 vindt men het resultaat van hunne metingen grafisch voorgesteld (kromme I). Het kleinste waarneembare helderheidsverschil is hier uitgedrukt in percenten van de helderheid der omgeving. Hoe kleiner dit percentage is, des te gevoeliger is ons oog voor helderheidsverschillen; de reciproke waarde van dit percentage is dus tot zekere hoogte eene maat voor de gevoeligheid van ons oog voor helderheidsverschillen (kromme II).

Men ziet nu, dat de gevoeligheid ongeveer even groot büjft, wanneer de helderheid van 0,001 tot 0,1 kaars/cM2. varieert, en wij komen dus tot de conclusie, dat de verlichting dan economisch en voldoende is, wanneer zij aan de verlichte voorwerpen eene helderheid van 0,001 kaars/cM2. geeft. Sterker verlichting zou ons slechts weinig baten.

De helderheid nu was . ... maal de verlichting(blz.l25). 100071

Wanneer wij dus, zooals bij lezen of schrijven het geval is, met papier te doen hebben, waarvoor r = 0,65, moeten wij eene verlichting toepassen

van minstens * A J* 0,001 = 48,5 lux, hetgeen

Sluiten