Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het begin van de 16e eeuw (1512) werd voorgesteld het Duitsche Rijk in 10 „beitsen" te verdeden. Een daarvan zou zijn de Bourgondische — zonder Luik, Gelre, Friesland en Utrecht. Het was een zeer ingrijpend plan. De voornaamste plichten der „kreitsen" zouden zijn: handhaving van den landvrede, opbrengst van Rijksbelasting, vorming van eene af deeling van het Rijksleger, benoeming van bijzitters in het Rjjkskamergericht. Maar ook dit bleef een plan — waarvan bijna niets tot uitvoering kwam. Bovendien beweerden de Nederlandsche gewesten later dat zij van deze Rijksverdeeling nooit officieel kennis hadden gekregen.

Met het optreden van keizer Karei V verandert de situatie. Reeds op zijn eersten Rijksdag, in 1521, waarvoor Luther zou verschijnen, komen de oude plannen weder op overeenkomstig de belofte door den keizer bij zijne verkiezing gedaan.

Er werd in Duitschland eene regeling gemaakt voor het vormen van een Rijksbestuur. Daarin zou ook Bourgondiê vertegenwoordigd zijn. Bourgondiê zou bovendien deelnemen aan het „Rijkskamergericht". Maar het zou in de kosten daarvan moeten deelen en troepen leveren. Van beteekenende bijdragen in de Rijkskosten werd niet gesproken. De erflanden buiten Bourgondiê werden weder buiten de kreitsverdeeling gelaten. Inderdaad werd deze voorgestelde regeling tot stand gebracht. Het nieuwe Rijksbestuur en het Rijkskamergericht kwamen in November 1521 bijeen. Tot het bijdragen in de kosten werd een rijksgrenstol opgericht. De Nederlanders werden in de ontworpen tollinie opgenomen.

De Hervorming en de daarmede samenhangende gebeurtenissen hebben echter de kracht van deze Regeering over Duitschland en Nederlandsche gewesten verbroken. Er bleef een betrekking — aan het verschuldigde leveren van troepen werd de hand gehouden — maar feitelijk bleven de Bourgondische landen een onafhankelijk gebied des keizers. En die landen bleven met hardnekkigheid aan hunne zelfstandigheid tegenover het Rijk vasthouden. Noch onder Maria van Hongarije (1530), noch onder Margaretha, 321

Sluiten