Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„absoluut wèl; en wij zijn veel te bescheiden als wij het „vreezen uit te spreken, dat Holland's toetreding tot de „Duitsche tolunie, voor ons even noodig is als ons dage„lijksch brood".

„Wij zouden evenwel er niet spoedig toe overgaan, op „het gebied dier kleine natie met haar krachtig zelfbewustzijn „en zelfstandig bestaan, een nieuwen tachtigjarigen oorlog te „riskeeren. Wij willen slechts een goede natuurverhouding, „waardoor de rivier ons, en den Hollanders het „Hinterland" „onbeperkt open staan".

Maar voorloopig had Nederland met von Bismarck te doen. En dat von Bismarck niet aarzelde ook tegenover Nederland te zeggen waar het op stond, bewees de Luxemburgsche kwestie (1867). Zijn rede in den Rijksdag (1 April 1867) liet aan duidelijkheid niets te wenschen over. Hij zou niet toestaan dat Luxemburg, dat van het verband met den Duitschen Bond was losgemaakt en waarop Koning Willem III slechts eene persoonlijke betrekking had, aan Napoleon III zou worden verkocht.

In Ned erland werd over de plannen van Pruisen twee brochures geschreven. En ten slotte kwam (1872) Thorbecke „met het geweer op schouder" in de Kamer, met een plan tot legerhervorming. Volgens Heemskerk Az. bracht hij het evenwel niet verder dan „tot een wetje op de huisknechts", (die voortaan ook zouden moeten schutteren).

De kwestie dier brochures is op zichzelf daarom belangrijk, omdat de Jan Saliegeest in Nederland, tegenover gevaren die men als dreigend beschouwde, er uit bleek. De deftige, maar niets zeggende brochure van Bosscha*) werd scherp beoordeeld door Multatuli *)• Alleen Allard Pierson 8) (1871) schreef over Pruisen's politiek op een wijze, die geen twijfel overliet aan de gevaren, die ook Nederland konden bedreigen.

Een politiek verband tusschen Nederland en Duitschland bestond niet meer, sedert de opheffing van Limburgs dubbel-

) Pruisen en Nederland. *) Pruisen en Nederland. 3) Herinnering uit Pruisen's geschiedenis.

Sluiten