Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bakhuizen van den Brink bezocht in 1844 en '45 in de jaren zijner „ballingschap" ook Duitschland. Dat Nederland eenmaal die historische banden met Duitschland uit vrijen wil zoo stevig zou aanknoopen, achtte hij onmogelijk.

„Hoe verbasterd onze natie zij" — zoo schreef hij aan Bake — „zij heeft vrijheden, waarvan in Duitschland geen „zweem bestaat. De adel is bij ons onder de knie, de „middenstand machtig, vermogend en in zeker soort van be„ schaving en levensgenot haren Duitschen standgenooten „onbereikbaar vooruit. Wij hebben republikeinsche herinne„ringen, gelijkheid voor de wet, openlijke rechtspleging, ge„heel vrije drukpers . . .

„Van onze volksrechten weten de Duitschers niets, het „volslagen gemis daarvan openbaart zich in duizend kleinigheden des levens, die in Holland onverdragelijk zouden „zijn" . . .

Holl and in Pruisisch bezit zou „bij het behoud zijner „rechten en vrijheden, ondersteund door al de materieele „kracht van het geheele Duitschland, zeker een parel aan „hunne kroon zijn, maar tevens zou het de zetel van rijkdom „en weelde, het brandpunt van beschaving, de vrijplaats van „staatkundige meeningen, maar daardoor tegelijk het brandpunt „worden, waaruit eene omkeering der orde in Duitschland „volgen moest".

Hij acht dan ook een dergelijke inlijving alleen door geweld mogelijk.

Dat de geschiedkundige betrekkingen verslapten is feitelijk geen wonder. De Duitsche volken bleven in hoofdzaak onveranderd. Hun aantal nam toe, maar de samenstelling niet. Hun karakter bleef, gelijk het was.

Met het Nederlandsche volk was dat geheel anders. Hoewel in oorsprong een Germaansch volk — een sterk met Frankische bestanddeelen vermengden Frieschen volksstam — brachten vreemdelingen hier groote veranderingen.

Eeuwen lang hebben de ons omringende volken versch bloed gebracht. Wat hier ontbrak, brachten de vreemdelingen. Andere geesten, andere hartstochten, andere gevoelens, andere 341

Sluiten