Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afweer gereed staan tegen de Mongoolsche strijders, die op heroveren belust waren. Hetman Jermak, de aanvoerder der Donsche kozakken, in die dagen, was bij zijn vorst, tsaar Iwan, in ongenade gevallen, en achtte het geraden, zich uit de paardenvoeten te maken. Te dien einde ondernam hij een veroveringstocht tegen de Siberische Tataren. Zijne onderneming slaagde, en hij maakte zich meester van de veste Sibir. Hij had twee vrienden in de 'Russische kooplieden Stragonof, die groote winsten trokken uit de rijke ertslagen van den Oeral en uit de zoutziederijen, en wier begeerte het dus was, de mijnwerken der streek voor het heden en de toekomst tegen mogelijke Mongoolsche overvallen te behoeden. Welnu, deze heeren Stragonof ondersteunden Jermak, en op de rivier Irtisj overwon de genoemde dappere hetman zijn tegenstander, Khan Koetjoema, zoodat hij zich nu meester van den Oeral kon rekenen, en van heel de Siberische landstreek tot aan de genoemde rivier Irtisj. (1581).

Thans was het de gelegenheid voor hetman Jermak om n de gunst van den Tsaar terug te keeren. Hij vraagde vergiffenis en bracht zijn vorst de overdracht van het verworven gebied. Zoo verwierf Rusland den ingang in het Siberische land en daarmee het uitzicht op de verre vlakte, die aan de oostzijde hare grens heeft bij den Grooten Oceaan. Siberië kon een Russisch land worden.

Evenals de zeevaarders, kooplieden en missionarissen de stichters der overzeesche koloniën van de westersche mogendheden in Europa geweest zijn, zoo werden nu ook de Russische mijneigenaars met de handelslui in pelswerk, waarvoor Siberië eene soort van land van belofte was, de steun der kozakkentroepen, die in het nieuw geopende land op avontuur uitgingen. De kozakken werden de eigenlijke padvinders in Siberië. Met den steun der Moskousche kooplieden konden zij hunne avontuurlijke tochten als pelsjagers ondernemen, en, al plunderend, waar te plunderen viel, in hun onderhoud voorzien, maar ook steeds verder naar 't Oosten en Noorden doordringen. De zwakke volken der landstreken, die ze doortrokken, hadden de kracht niet om hen, de vreemde, gewapende 265

Sluiten