Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Het stelsel van Pythagoras. — Volgens dit wereldstelsel staat niet de aarde, maar de zon ia het midden van onze wereld en draaien de aarde, de planeten en. de sterren om,de zon.

Dit. stelsel werd het eerst geleerd bij de Grieken door Pvthagokas (540—500 v. Chr.), Grieksch wijsgeer, geboortig van Samos, stichter der Italische of Pythagorische school. Hetzelfde leerde DiOGENES Laërtius (3e eeuw na Chr.). Volgens deze beide wijsgeeren is de beweging van zon en sterren slechts zinsbedrog. Dit waren echter slechts persoonlijke opvattingen, die zonder invloed voorbij gingen. |

NicolAas van Cusa, te Trier in 1401 geboren, had in zijn boek De docta ignoranüa, „Over de geleerde onwetendheid", in 1445 verschenen en aan kardinaal Cesarini opgedragen, de beweging der aarde om de onbewegelijke zon als werkelijkheid aangenomen. Toch was hij in 1448 tot kardinaal verheven.

Vóór hem had reeds de Heilige Thomas van aquino opgemerkt: „De gevoelens der sterrekundigen behoeven niet noodzakelijk waar te zijn, daar datgene, wat de oogenschijn over de sterren leert, misschien ook op een andere wijze, die door de menschen nog niet is uitgedacht, verklaard kan worden."1) En tevoren had hij gezegd, dat de planeten zich tamelijk onregelmatig' bewogen, hetgeen met de ware bewegingen der hemellichamen niet scheen overeen te stemmen.

Het stelsel van pythagoras werd door copernicus overgenomen.

. NicolaAo copernicus, geboren te Thorn in Polen in 1473; studeerde in Itali^uwerd priester, kanunnik van Frauenburg, en professor in de wiskunde te Rome in 1500. Drie en veertig jaren later (1543) gaf hij te Rome op dringend verzoek van kardinaal schovenberg uit de Predikheerenorde, bisschop van Capina, zijn boek De revolutionibus siderum „Over de bewegingen der sterren" uit, hetwelk hij aan Paus paulus III opdroeg.

De leer van de beweging der aarde om de zon wprdt daarin ƒ uitdrukkelijk geleerd. Dit verwekte nog al opschudding. Andreas Osiandre van Neurenberg, de uitgever van het werk

X1) Commentarifim Aristotelis, II, 17 De Ccelo.

Sluiten