Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het experiment om' lersrïet." J) Dit heeft zekér de mééste bestrijders tegen hem in het harnas gejaagd!.. De peripatetische wijsbegeerte genoot toen nog een schier onbegrensde en onbestreden heerschappij in de scholen en een gezag onder de jjeleei den, waarvan wij ons thans geen begrip kunnen vormen.

Toch zouden de aanvallen van galilei tegen de wijsbegeerte van Aristoteles op zich zelf alleen het dekreet der Index Congregatie tegen hem nooit uitgelokt hebben. Te Rome was men geenszins zoo blindelings op de philosophie van arisi'IOTELES verzot, dat men tot verdediging van iedere door haar toen aangenomen stellingen het geloof te hulp geroepen zoude hebben. De geschriften van Galij Ei tegen de Aristotelianen werden integendeel te Rome door velen gunstig opgenomen. Kardinaal Barberini, die nooit Aristoteliaan geweest was, verklaarde aan Galilei, nadat hij diens verhandeling Over de zwemmende lichamen ontvangen had, ,,dat zijn gevoelen met dat van Galilei overeenkwam." Evenals Kardinaal Barberini stelde ook bellarminus groot belang in physikalische en astronomische waarnemingen en wel voornamelijk, zooals Cesi mede deelt, met het doel om daardoor bewijzen tégen de Aristotélische leer van de vastheid van het hemelgewelf en tegen de in htet oude wereldstelsel zulk een rol spelende spherenïheorie te verkrijgen. !)

De proefnemingen tegen de wijsbegeerte van ARISTOTELES vreesde men dus te Rome niet; integendeel, zij weiden er

begunstigd.

Maar werden de astronomische waarnemingen en de. physikalische proefnemingen van GALILEI niet met meer bijval opgenomen dan juist te Rome? Welke stad had toen een physikalische Akademie, als de Academia dei Lincei, waarop Rome groot ging? 3)

Wilde men eenige brieven van Galilei gelooven, dan zou men inderdaad geneigd zijn te meenen, dat zijn aanvallen op de wijsbegeerte van aristoteles alléén de tegen hem geuite

') K. v. Geblèr, Gal. Galilei und die römische Cutie, p. 48—49,

2; a leert, 1. c. IX, p. 137,

'6J G. Schneemann, 1. c. XIV, p. 121—123,

Sluiten