Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich achter allerlei uitvlutelhten, onder an'deren zijti ziekélijken toestand en zijn hoogen leeftijd van zeventig jaar. Na drie maanden was de Paus het wachten, moede en dreigde den weerspannigen galilei, dat hij zelf een dokter en een Commissaris naar Florence zoude sturen om te onderzoeken, of zijn gezondheid hem toestond te reizen; zou dit laatste blijken, dan zou hij hem in ketenen naar Rome laten brengen.

Den 20 Januari 1633 van Florence vertrokken, kwam Galilei den 13 Februari 1633 te Roraio aan. Hij mocht in het paleis van den Florentijns^ en gezant wonen, een buitengewone onderscheiding. Meermalen bezocht hem daar Monsignore serRiSTORI, een der Consultoren der Inquisitie. De aanklacht tegen Galilei luidde, dat hij het bijzondere bevel des Pausen van 1616 door het schrijven van zijn Dialoog overtreden had. (}) Galilei ontkende dit;hij zeide, dat hem door dat bevel alleen beduid was het stelsel van copernicus niet meer te houden of te verdedigen; hij had dit ook niet in ffljn Dialoog gedaan. (j2) Viermaal verscheen galilei in verhoor voor het H. Officie: den 12 April, den 30 April, den 10 Mei en den , 21 Juni 1633. Het onderzoek liep vooral over deze punten: i<=. Galilei moest toegeven, dat hij het verbod had overtreden op geenerlei wijze meer de leer van Copernicus te zullen verdedigen. 2*. Galilei trachtte eerst zich langs zijwegen te redden en loochende, dat hij het stelsel van Copernicus als wetenschappelijke waarheid verdedigd had, doch bekende ten slotte, dat hij, zonder het te willen nochtans, twee bewijzen had aangehaald, die te veel voor het stelsel van copernicus pleitten. 3*. Eindelijk ondervroeg men galilei, zelfs met bedreiging van de pijnbank, naar zijn inwendige bedoeling, of hij inwendig de leer van copernicus,ook aankleefde.

In het laatste verhoor op den 21 Jun' verklaarde Galilei: ,,Vóór de uitspraak der H. Congregatie van den Index was ik onbeslist en beschouwde de twee gevoelens van ptolomeus en van Copernicus even verdedigbaar, omdat zij beide volgens de verronselen der natuur waar kionden zijn; maar sedert

(i) Alberi, 1. c. IX, p. 434.

(2; Von Geblèr, Galilep GaiM, p. 249-

Sluiten