Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet-vervulling de onfeilbaarheid der uitspraak werkelijk afhangt. Deze uitspraak toch is de daad van den hoogsten drager der kerkelijke leer, niet van den persoon, die paus is. Het ligt voor de hand, dat een protestantsch geleertle die tot een zeker besluit wilde komen, het onderscheid tusschen ambt en persoon uit heL oog verliezen moest. Voor hem is het waarheid: „mijn gedachte blijft mijn gedachte, hoe zij ook wordt uitgedrukt." Dat is ook waar voor Johannes Maria Mastaï^Feretti, maar niet vcor PlUS IX. Zal des laatsten gedachte geloofswaarheid zijn voor de Kerk, dan behoort zij te worden uitgedrukt volgens de wetten aan de Kerk gegeven, en onmiskenbaar de teekenen te dragen, door deze wetten geëischt. Nu kan men vragen, hoe en waarom deze „formule" wegbleef, men kan verschillende onderstellingen als antwoord op die vraag uitspreken, men kan spotten met de verklaringen, door deze of gene katholieke geleerden gegeven — dat doet niets ter zake. Waarheid blijft het, en dat de Katholieke Kerk deze „formules" onverbiddelijk vordert daar waar zij een onfeilbaar vonnis van den onfeilbaren paus heeft te erkennen, en dat deze ^formules" ontbreken aan het vermelde decreet. De geschiedschrijver heeft hier met feiten te rekenen, niet deze feiten naar zijn gedachte te verklaren en te verwringen. De onpartijdigheid vordert dezen eerbied voor de meening van den tegenstander. Daar zijn er echter nog onder de tijdgenooten van Galilei, die uitdrukkelijk betuigen, dat de onfeilbare paus in 't vermelde decreet heeft gesproken en — dus heef t. gedwaald.

Allereerst Bellarminus, die de verklaring van 5 Maart 1616 toeschrijft aan den paus („la dichiarazione fatta da nostro Signore.") Er is paus en paus. Hebben wij ^ hier eene verklaring van den onfeilbaren leeraar krachtens zijn onfeilbaar gezag tot de Kerk gericht? Zeker, niemand betwijfelt het, dat de schrijver „de Romano Pontifice" (Bellarminus) aan den paus weet toe te kennen wat des pausen is. Maar dezelfde schrijver wist ook, welke kenteekenen de Kerk als onmisbaar acht voor ieder onfeilbaar decreet. Mag men dan aannemen dat Bellarminus, de tijdgenoot, die alles had mede doorleefd, de schrijver, die beter dan eenig ander wist, wanneer en hoe een decreet der Congregatie kon en mocht gerekend worden eene leerstellige uitspraak van den onfeilbaren paus te zijn, — mag men aannemen, dat deze, eer bij toeval dan met helder bewustzijn, het decreet genoemd heeft: „eene verklaring gedaan door den paus, ter openbare kennis gebracht der Congregatie" ? Ons wil het schijnen, als had de schrijver van „de Romano Pontifice" juist door deze woorden aan Paus Paulus V willen geven wat hem toekwam, niets meer dan het gezagj, dat eene persoonlijke meening des pausen hebben kon. Zeker de paus heeft, volgens de registers der Inquisitie, het verlof tot openbaarmaking van het decreet gegeven, maar aan de uitvaardiging is geen hooger gezag verbonden, dan 't geen de Congregatie bezat. IBellarminus getuigenis wordt ook door de mededeeling van zijn tijdgenoot P. Grassi in een ander licht gesteld. De kardi-

Sluiten