Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar heeft Ket vonnis, door de Romeinsche Congregaties tegen de theorie van de beweging der aarde geveld, niet voor een tijd de onderzoekingen tegen gehouden, welke aan de hypothese van copernicus wetenschappelijke zekerheid moesten geven? Men kan dit niet ontkennen. b3Q£.

'i Sommige apologeten bepleiten hier verzachtende omstandigheden voor de Romeinsche Congregaties.

ie. Het vonnis van 1616 en dat van 1633 heeft de ontwikke ling der studiën, gunstig voor het systeem van copernicus, slechts voor eenigen tijd vertraagd of opgeschort. Na 1616 bleef Galilei aan de verdere ontwikkeling van de theorie van Copernicus werken. Uit gehoorzaamheid zette hij na 1633 de demonstratie van dat stelsel niet voort; maar anderen namen het werk op, waar hij geëindigd was, en brachten het zoo ver dat zij aan de hypothese omtrent de beweging der aarde we tenschappelijke zekerheid verschaften.

2e. De tijdelijke vertraging of stremming der ontwikkeling van het stelsel van Copernicus, welke men uitsluitend aan Rome wijt, moet ook voor een deel aan de hoofden en voorman nen van het Protestantisme gav/eten worden. Vele leiders der Protestanten, en lang niet de minste, stonden tegenover het stelsel van Copernicus even vijandig gezind als de groote meerderheid van de Katholieke godgeleerden; zij deden voor dezen niet onder. Luther zag in dit systeem niets dan krankzinnigenwerk, hetwelk de gansche sterrenkunde in de war hidp. Melanchthon schold het uit voor boerenbedrog en goochelarij en omverwerping der wetenschappen. De Protestantsche astronoom Kepler werd uit Wurtemberg, zijn vaderland, gejaagd, omdat hij de richting van copernicus was toegedaan. In 1659 verklaarde Calovius, superintendant generaal van Wittemberg, dat de rede moest zwijgen, wanneer de Schriftuur had gesproken; met niet geringe blijdschap verkondigde hij, dat de godgeleerden van zijn belijdenis, bis auf den letzlen Mann, de leer over de beweging der aarde verwierpen. Dominé KoHLreiff, herder te Ratzeburg, preekte nog in 1744 onvervaard, dat de theorie van Copernicus een verfoeilijke uitvinding van den duivel was, een bewijs, dat nog in de achttiende eeuw de Luthersche geestelijken aan de oude leer vasthielden. De-

Sluiten