Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SE ARTES vernam, dat sommige LutftfetscKé bedienaren tegen de leer van Copernicus te velde trokken; hij was er blij om. „Ik ben niet bedroefd, dat de bedienaren tegen de beweging der aarde uitvaren; het zal misschien onze predikanten uitlokken om ze goed te keuren."!)

3e. De Voorzienigheid heeft de dingen zoo geleid, dat dé schade, aan de astronomische wetenschap toegebracht, ruim vergoed werd door de bovennatuurlijke. voordeden, welke de christelijke maatschappij daarvoor ontving. In Gods plannen strekt-alles tot heil der menschheid; de natuurlijke orde is ondergeschikt

I aan de bovennatuurlijke, de wetenschap aan de deugd, de rede aan het geloof. Zijn nu de deugden, beoefend door de geleerden, die zich gewillig en oprecht aan de besluiten der Romeinsche Congregaties onderwierpen, niet onnoemelijk meer waard, niet louter in de oogen van God, maar ook tot heilen zedelijken voortgang der menschheid, dan de ontwikkeling van de eene of andere wetenschap, al is het dan ook de sterrenkunde? Klemt dat niet te meer, nu de remming van deze wetenschap feitelijk slechts tijdelijk en gering is geweest? Bovendien heeft de Voorzienigheid, welke over geleerden en over eenvoudigen waakt, toen zij toeliet, dat een hypothese, waaruit de omverwerping van de algemeen geldende leer zoude volgen, in haar ontwikkeling werd tegengehouden, de zwakken willen sparen, omdat dezen er aanstoot aan zouden genomen hebben, wanneer die hypothese te snel in een wetenschappelijke waarheid zoude zijn overgegaan. Wel moesten de aanhangers van het veroordeelde systeem zich ook ergeren over den slag,' die hen had getroffen. Maar alles samen genomen beteekende deze ergernis weinig in vergelijking met de opspraak en het lawaai, welke losgebarsten zouden zijn, bijaldien de.volgelingen van COPERNICUS gemachtigd waren geworden, om de gemoederen door de vrije verkondiging van hun leer in opschudding te brengen. De tijdelijke stremming van hun navorschkïgen kwam dus veeleer aan de hoogere belangen der menschheid ten goede; men mag

■ daarin gerust den vinger Gods zien.2)

(1) Btief aan Mersenne, December 1640. Oeuvres, Hl, p. 258.' — Grisar, Gatileisiudien, p. 124; 283-288.

(2) Grisar, GatileiSt'Jdïën, p. 123; 344; 354—356.

Sluiten