Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet verstaan,, dan op gezag van die plaatsen een wiskundig bewezen feit en waarheid te loochenen.1)

Ook na het Dekreet van de Inquisitie hield bellarminus aan deze zienswijze vast. Dit blijkt uit het onverdachte getuigenis van een tegenstander van Galilei, van Pater grassi, die 1624 zeide:

„Zoo er een bewijs voor de beweging der aarde gevonden werd',' dan moest men de respectieve plaatsen der Heilige Schrift anders (dan in den letterlijken zin) verstaan, gelijk Kardinaal Bellarminus oordeelde."2)

Daarom gaven de Jesuieten en de Kardinalen bellarminus en Barberini aan Galilei den raad, liever bewijzen uit de natuurkunde en de wiskunde te zoeken, dan zich met de verklaring van den Bijbel te bemoeien.3)

En toen de vrienden van Galilei aanhielden, dat men de Heilige Schrift in een anderen zin kon uitleggen, antwoordde Bellarminus boos: „Dit is geen zaak, welke men mag overhaasten; ook moet men noch woedend rondloopen, noch een van deze stelsels veroordeelen." Klaarbujkelijk waren bij en zijn ambtgenooten niet weinig verstoord over het „woedende rondloopen" en de agitatie van Galilei vtoor het systeem van Copernicus.

Maar Galilei Het zich niet raden. „Hij heeft zegt de Toskaansche Gezant GuicclARDlNl, „meer op zijn eigen .meening dan op die van zijn vrienden vertrouwd; de heer Kardinaal DEL monte en ik en meerdere Kardinalen hebben hem aangespoord, dat hij zich rustig zoude houden en de zaak niet ■overhaasten, maar dat hij, vvarmeer hij dit gevoelen -wilde houden, het kalm zoude verdedigen, zonder zich zoo gewekhg druk te maken om anderen daartoe over te halen, daar wij allen vreesden, dat zijn reis hierheen hem schade gedaan had." ( )

Wrde moeilijkheid. - Welke tijn voor ieêeren Katholiek de verplichtingen, die Uit de toesluiten der Romeinsche Congre-

(1) Sedley Eaylor, &aMti *"* * /«?w'«*<'"> Academy, Febmwry 1877. — Q. Schneemann, 1. cjp. 255 256.

(2) Albéri, Le Opere, etc. TX, 66.

(3) Albéri, 1. c, WflL. 354, 366. (*) Alberi, L c. VI, 227.

Sluiten