Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

open venster, stak even het grijze, gladgekamde hoofd naar buiten en vroeg: „Heeft u geroepen?"

„Toe Santje!" riep het meisje, „'t is zulk mooi weer, vraag eens, of Mevrouw lust heeft wat met mij in den tuin te wandelen, de zon schijnt er zoo warm en de bloemen zijn er zoo mooi, — ze zal het zeker heerlijk vinden."

Het grijze hoofd verdween en men kon duidelijk in den tuin hooren, dat er boven, op overredenden toon, tot iemand gesproken werd.

Nu kwam er een ander voor 't venster en staarde naar buiten. Het was een in 't wit gekleede gestalte, met gitzwart haar en een zeldzaam mooi gezicht. De donkere krulletjes kroesden om haar voorhoofd en lieten sterk de blanke gelaatskleur uitkomen. Ze was fijn gebouwd en niet groot, eer mager dan gevuld, en had in 't oogloopend kleine handen en voeten. Het vreemde aan haar was de uitdrukking van haar gelaat en de wonderlijke, starende blik in de donkere oogen. Zij keek altijd over iemand heen, alsof zij heel in de verte iets zien moest en als ze bij toeval iemand aankeek, was er zoo'n kinderlijke, vragende blik in die oogen, dat de ander er haast verlegen door werd. Nu ook staarde zij, zonder eenig blijk te geven dat zij het roepen beneden in den tuin gehoord had, ver voor zich uit, naar de blauwe lucht en de hooge boomen.

Maar het jonge meisje in den tuin gaf het niet op. „Ma Michon," riep zij weer, „'t is zoo heerlijk buiten, u behoeft niets op of om te doen, zelfs geen hoed, zoo lekker warm is het. Kom nu maar gauw, u zult eens zien hoe mooi alles is en hoeveel bloemen u kunt plukken."

De gedaante voor het raam glimlachte even, alsof ze de laatste woorden verstaan had en toen de gedienstige haar zachtkens onder den arm nam, liet ze zich gewillig wegleiden. Nu ze buiten stond in het helle zonnelicht, waren de witte

Sluiten