Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

draden te zien, die door het donkere haar liepen, de fijne, kleine rimpeltjes bij de ooghoeken en de plooitjes bij den kleinen mond.

Nu leek ze niet meer zoo jong; toch had het er niets van, alsof die twee menschen, die daar op de smalle paden van den stadstuin op en neer liepen, moeder en dochter waren. Ze leken dan ook niets op elkaar. Het jonge meisje was wel een hoofd grooter en heel blond. Ze had lichte, blauwe oogen, die steeds lachten en kuiltjes in de wangen, die haast altijd te zien waren en ze had groote handen en groote voeten, ze moest er altijd om lachen, als zij ze met die van haar moeder vergeleek. Ze had een gezonde, frissche gelaatskleur, die menigeen haar benijdde en een mond, die eer groot dan klein was, en die misschien ook minder mooi zou geweest zijn, als hij niet telkens zulke witte tanden kon laten zien.

Ze had nu den arm om de schouders van haar moeder geslagen en praatte zacht en teer, zooals je met een kind doet.

Deze scheen maar half te luisteren en, alsof ze een slaapwandelaarster was, liep ze gedachteloos voort met hare dochter.

Eens was ze in haar zonnige, zuidelijke, Fransche vaderland een van de mooiste vrouwen harer omgeving geweest en dat ze het hart gewonnen had van den rijken Hollandschen baron, had wel niemand verbaasd.

In een roes van opwinding was ze hem gevolgd naar zijn vaderland.

Nu was ze maar een arme kranke, over wier geest een donkere, zwarte sluier was gevallen. Ze had nooit kunnen aarden in het land met de grijze luchten en de donkere regendagen. Ze had gerild, toen ze voor het eerst haar toekomstige woning had gezien, het familiebezit, waarop haar man zoo trotsch was en waarover hij zoo geestdriftig kon spreken. Het kasteel met zijn groote, holle kamers, met de dikke, verweerde muren, omringd door de donkere, diepe gracht, 't leek

Sluiten