Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar een gevangenis. En aan de wanden als eenig versiersel de portretten met de koude, hooghartige gelaatstrekken van mannen en vrouwen, met wie ze geen gemeenschap voelde. Wat had zij, kind van 't Zuiden, te maken met al die ernstige, stroeve menschen, wier halzen geperst waren in hooge kragen, of de hoofden bedekt met zware pruiken? Er was er niet één, die haar vriendelijk aankeek; ze benauwden haar met hun stilzwijgende, afkeurende blikken.

Thuis, in het schoone Provence, daar liet je je voorvaders voor wat ze waren, de zon scheen er drie kwart van 't jaar, je sierde je huis met bloemen, je maakte je kamers licht en vroolijk en je omringde je zelf met allerlei dingen, die je mooi vond en die een dagelijksche vreugde voor je waren.

In het huis van haar man mocht niets van zijn plaats. Hoe lang zouden de dikke, logge, zware kasten met haar oude knarsdeuren en haar lompe, gebeeldhouwde bovenstukken op haar plaats gestaan hebben ? En dan de groote, brutale staartklokken met haar zwaren tik, die je elk uur verschrikten door haar harden slag, en de zware fluweelen gordijnen met die triestige, saaie kleur en bezaaid met kleine motgaatjes!

Waarom wilde hij, die toch zeide, haar zoo lief te hebben, niets veranderen aan dat akelige, ouderwetsche meubilair? Je kon het immers wegdoen en al die oude menschen op zolder zetten met hun gezichten tegen den muur! Wat zou ze daarin een plezier gehad hebben! Waarom liet hij 't kasteel, die oude gevangenis, niet aan zijn lot over? Hij had het kunnen gebruiken als magazijn voor de leelijke, oude meubels, of als oudheidsmuseum. Ze hadden toch een ander huis kunnen koopen, een, dat een beetje leek op dat, waarin zij gewoond had, een huis, waarin lucht en licht was en vroolijkheid.

Zij had trouwens weinig begrepen van het karakter van haar man. Eerst was hij bovenmate verliefd op haar geweest, hij

Sluiten