Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begon op zakelijken toon de indeeling van het huis aan te wijzen.

„Meubels en gordijnen zijn uit dit huis natuurlijk allemaal te gebruiken, alleen in je eigen zitkamer zou je wat nieuws mogen hebben. Ik was verleden week in een naburig dorp

bij eene dame, die hare kamers zoo smaakvol had ingericht

wij praatten over jullie beiden en ik vroeg, of ze je eens zou willen ontvangen, als ooit een van je beiden genoeg had van het buitenleven, geloof ik zeker, dat ze je gaarne in huis zou willen nemen, gedurende den tijd, dat je voor een examen of iets dergelijks zoudt willen werken."

Het notarisje keek nu onafgebroken Soeurette aan; het was, als vreesde hij den spotachtigen blik van het andere meisje, hij kon ook niet verhinderen, dat hij een kleur kreeg, die zelfs zijn voorhoofd bedekte. Maar hij praatte snel door: „Ze is een alleraardigste vrouw, heel knap en ze heeft al aan heel wat menschen goeden raad gegeven. Indien je nu de volgende week eens schrijft, wanneer jullie zouden kunnen komen, zal ze je zeker gaarne ontvangen."

Tot zijn verbazing zeide Anne Marie niets, ze keek hem; met hare groote, blauwe oogen aan, zonder eenige bijzondere uitdrukking op haar levendig gezicht en hoorde verder ook stil toe, toen hij vertelde van de tuinmanswoning, die vlak bij het huis lag, en van de huisbewaarders, een man en een vrouw, die al jaren het huis hadden bewoond en nu ook geneigd waren, als bedienden te blijven.

Toen hij opstond, omdat hij naar boven wilde gaan, om haar moeder te gaan opzoeken, vroeg ze: „En onze vriendinnen, mogen die komen logeeren?"

„Zeker, zeker", haastte de notaris zich te zeggen, „je kunt er het huis mee vullen als je lust hebt, als het alleen maar niet verhindert, je verschillende plichten te volbrengen."

„En onze vrienden?" plaagde Anne Marie'met een vroolijk knipoogje, „komen die ook ?"

Sluiten