Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

erica en dopheide bloeiden, verbouwt men nu aardappelen en rogge.

Maar op een half uur afstands van de dorpen ligt de heide nog ongerept. De geheimzinnige heide, met haar wazigen gezichteinder, met haar mooie tinten, die wisselen met de jaargetijden.

Nu is het nog lente, nu is de heide overal bruin en dor, nu is het de tijd van de brem: de mooie, gele, wilde brem is nu aan de beurt, die heeft nu de versiering van de heide op zich genomen en overal vlammen de helgele trossen op tegen het donkergroen der grillige struiken.

Een meisje is pijlsnel een der heuvels komen afrijden. Ze zet haar fiets tegen een trillenden berkeboom aan, hangt haar hoed over 't stuur en met een groote tuinschaar begint ze een bremstruik te snoeien.

Ze tilt de voeten hoog op en loopt voorzichtig, als ze langzaam, de gele bloemen plukkend, voortgaat. De heide is niet alleen geheimzinnig, ze is verraderlijk ook, soms heeft ze groote, holle spleten en diepe kuilen, kunstig verborgen onder wild opschietende struiken. Je kon wel eens op een nest met kleine vogeltjes trappen, of op kievitseieren, daarom loop je altijd voorzichtig, als je niet de kleine nauwe paadjes volgt, die hier en daar de vlakte doorkruisen.

Nu en dan trekt het meisje haar mond pijnlijk samen, als ze zich wondt aan den kattendoorn, dien ze ook niet versmaadt, al zijn de bloempjes wat kleiner, en ze blijft een poos staan, om een stekeltje uit haar vingertop te verwijderen. Ze neuriet een liedje terwijl ze plukt, en telkens kijkt ze met een blik van innig welbehagen rond. Ze is heel licht blond, de zware vlechten zijn op een eenvoudige manier om het hoofd gelegd. Het spreekt haast vanzelf dat ze lichtblauwe oogen heeft en een blanke tint en roode wangen: menschen met zulk haar hebben dat bijna altijd.

Sluiten