Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze maakt drie groote bossen van de bloemen, die ze geplukt heeft, hangt er twee aan het stuur van h'et rijwiel, en den derden slingert ze achteloos over den schouder.

Ze lijkt wel heel jong te zijn, maar als men hare rustige bewegingen en haar geposeerden blik ziet, twijfelt men daaraan. Maar op een lichten lentemorgen op de heide, met de mooie bremstruiken, die overal tusschen het groen helder geel opvlammen en de ontelbare vlinders, die, dronken van levensgenot, je om het hoofd fladderen, en den wijden horizon vóór je en boven je den blauwen, zonnigen hemel, is iedereen jong, dan neurie je een liedeke, ook al ben je reeds vijf en twintig jaar en in het gewone leven heel stemmig en bedaard. Ze steekt haar hoed met de lange speld vast op de stelen der bloemen, want ze heeft geen lust dien weer op te zetten, ze zal nog wel een kwartier kunnen rijden, voordat ze weer in de kom van het dorp is.

Zé rijdt echter niet altijd even snel door; als ze dichter bij het dorp komt en de kleine boerderijen, aan weerskanten van den weg in getal toenemen, stapt ze af, om behoorlijk haar hoed op te zetten.

Ze is de dochter van den dominé en van kindsbeen af aan heeft ze geleerd in alles het goede voorbeeld te geven en moeder thuis houdt niets van die nieuwerwetsche gewoonte van de pensiongasten, om zelfs in de kerk zonder hoed te komen. Ze neemt dan haar fiets aan de hand en zet die bij het hek van een kleine villa, waar in het hutje, vlak bij het huis, een oude heer in een grooten ziekestoel zit. Ze gaat naar hem toe, schikt de bloemen in een vaas en vertelt hem vroolijk hoe mooi het was op de heide, maar hij bromt en zegt dat het onkruid dat ze daar voor hem neerzet, zijn ondragelijke pijnen niet zal verlichten.

Ze streelt hem zacht over de rimpelige, magere hand, waarvan de blauwe aderen akelig dik zijn opgezet en zich over hem

Sluiten