Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

buiten — „morgenmiddag kom ik terug, nu is het al zoo laat, dat ik mij haasten moet nog op tijd voor het koffiedrinken te zijn."

Als de voetstappen over de kiezels wegknerpen, richt de zieke zich moeizaam op, kijkt met een blij lachje den grintweg af en ziet, hoe de bekende gestalte zich voortspoedt. Het huisje is gebouwd aan een kromming van den weg, daarom kan de zieke altijd zien wie er van het dorp komt. Nu kan ze de juffrouw van den dominé met de oogen volgen, tot ze eindelijk een klein, zwart stipje is geworden, ze kijkt haar graag na, want haar hart is vol liefde en vereering voor de dominé's dochter. Als die er niet was geweest, lag ze nu heel anders hier. Nu is ze niet bang meer, ook als dat „Onbekende," dat „Griezelige," meer en meer nadert.

Ze streelt zacht over de bloemen heen en haalt even de doorschijnende, witte neusvleugels op, als ze den fijnen geur bemerkt die van de bloemen uitgaat. Nu is ze nooit bang meer, de juffer heeft er haar alles van verteld, hoe het gaan zal; ze kan zich niet eens meer indenken, dat er een tijd geweest is dat ze zoo wanhopig bedroefd was en niet kon ophouden met schreien om haar jonge leven. Weg te moeten gaan, als je nog niets van 't leven gehad hebt, en afgeplukt te worden, als een bloem, die nog niet eens gebloeid heeft. De juffer heeft dikwijls met haar gebeden en altijd zoo geduldig met haar gepraat, 't was net alsof ze alles van haar af wist, zonder dat ze zelf iets behoefde te vertellen, want iets van je zelf vertellen was wel een van de moeilijkste dingen. Nu wist ze, Wie er wel altijd naar haar luisterde en Wie helpen wilde, als ze het heel erg benauwd had, en met een blijden blik keek ze op naar den mooien, blauwen voorjaarshemel

Vlak tegenover het kleine kerkhof en de ouderwetsche kerk ligt de pastorie, omgeven door haar mooien, breeden tuin.

Sluiten