Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dezen morgen heeft ze eerst met heel veel moeite wat rondgeloopen in den tuin en met vreugde gekeken naar de voorjaarsbloemen, en toen is ze, om wat uit te rusten, in het tuinhuisje gaan zitten en de jonge dokter, die juist voorbij kwam, heeft niet kunnen laten, even het hek binnen te komen en haar te begroeten.

Hij staat nu met zijn rug naar den weg en vertelt van de nieuwe bewoners die op Gerkestein zullen komen wonen.

„Ik heb den kleinen notaris bij mij gehad, die zeker het huis aan de familie verhuurd heeft en die óf zaakwaarnemer, óf curator van Mevrouw Toll van Waveren schijnt te zijn. Hij vertelde mij dat zij sinds jaren zwaar zenuwziek is en hij er op gesteld was dat ik haar elke week bezoek en hem dan een kort verslag zend, hoe ik de zieke gevonden heb."

De jonge dokter zegt dit alles op vroolijken toon en met lachende oogen, alsof hij iets heel prettigs vertelt. De dominé's vrouw schudt haar grijze hoofd en steekt haar wijsvinger waarschuwend omhoog, terwijl ze plagend zegt: „Zie je wel, zoo zijn jullie, doktoren, nu altijd, je bent blij als wij, arme menschen, wat mankeeren, dan kunt ge groote rekeningen schrijven."

De dokter legt schijnbaar ernstig de hand op zijn hart en vraagt: „Hoe dikwijls kom ik hier niet voorbij met het vaste voornemen niet binnen te komen, maar wie tikt tegen de ruiten, of roept mij binnen?"

„Je arme, ongelukkige patiënt, die nog steeds de hoop niet heeft opgegeven, dat er een kruid gewassen is en door jou zal worden gevonden en ontdekt, dat mij van mijn rheumatiek zal kunnen genezen. Je weet niet, wat het is voor iemand als ik, altijd aan huis of kamer gekluisterd te zijn. Mijn man komt thuis met verhalen. Ilse is overal geweest en ik arme, zucht als een gevangen vogel in zijn kooi."

„Ik wilde anders wel, dat al mijne patiënten hun kruis zoo-

Sluiten