Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toch klopte zijn hart niet sneller, nu hij naast haar liepop dien mooien voorjaarsdag.

Zij had haar hoed vergeten — ,,'t was immers maar even naar de post?" — en terwijl hij met haar sprak, zag hij, hoehet voorjaarskoeltje speelde met de weerbarstige blonde haren, die haar als een aureool omgaven. Soms streek zij ze even glad met de kleine, blanke hand. Ze droeg geen ringen, zelfs geen sieraad, daar hield ze niet van.

Hij zag ook, hoe blank haar tint was en hoe rozerood harewangen waren, maar toch redeneerde hij maar voort over een nieuw middel, dat pas ontdekt was, om tuberculose te bestrijden.

Zij had haar mooie, lichtblauwe oogen tot hem opgeheven,, en knikte met het hoofd, alsof zij heel aandachtig luisterde. Maar zij wist eigenlijk in 't geheel niet, waarover hij het had.

Zij dacht er aan, hoe de menschen in de straat zouden kijken, als zij daar samen liepen, „de dokter en juffer Ilse."* Ja, de menschen hadden al dikwijls toespelingen gemaakt en elkaar knipoogjes gegeven. Vlak naast de pastorie woonde de oude juffrouw Bruns. Ilse behoefde niet eens naar haar huisje te kijken. Ze keek nu al zeker over haar bloemen heen door het raam. Ze zou haar grooten bril er bij opzetten en dan riep ze vast naar de keuken: „Martha, wat hebben we nou van morgen? De dominé's juffer loopt, al zijn leven, al vóór 12 met den dokter op straat! Nou, wat heb ik je gezegd?""

En daarnaast, de dikke kruideniersjuffrouw, ze ziet hen voorbijkomen met groote oogen van verbazing: „Zoo! zoo! waait de wind uit dien hoek?" en ze grinnikt tegen den koster,, die, haar ziende, uitroept, zonder zijne mondhoeken te bewegen en met een oolijken blik in de oogen: „Nu, jij bent immers ook jong geweest?"

Zonder nog te spreken van de vrouw van den postbode, die haar neus tegen het spionnetje drukt en haar man in zijn.

Sluiten