Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beide meisjes, een lange knappe man de kamer binnen, die aarzelend rondkeek; eerst, toen hij de twee gestalten bij het raam zag trad hij nader.

Een oogenblik stonden alle drie als op de plaats genageld. Soeurette, vlak bij het raam, terwijl een zonnestraal juist haar gezicht belichtte en het bespottelijk jong deed schijnen, niettegenstaande de grijze krullen. Haar blik was eerst verschrikt, later kwam er een smeekende uitdrukking in haar donkere oogen.

Anne Marie, met het loderijndoosje nog in de hand en het witte bruidsmutsje op, was de eerste die tot bezinning kwam. Zij schudde even uitdagend het hoofd, toen zeide zij op kalmen toon: „Dokter van Hoogsteden, aangenaam kennis te maken, mag ik u mijne zuster, Aleid Toll van Waveren, voorstellen ?"

Het voorhoofd en het geheele gelaat van den jongen man kleurde donkerrood, toen boog hij eerbiedig het hoofd en zeide op afgemeten toon: „Vergeeft mij, freules, ik geloof dat ik op een ongelegen oogenblik kom. U bent, zooals ik zooeven bemerk, juist aan een repetitie voor een charade bezig; laat mij u niet verder storen, ik hoop mijn bezoek op een voor u gelegener tijd te herhalen. Uw oom had mij gevraagd op dit uur hier aanwezig te zijn, mogelijk zult u hem willen vertellen dat ik hier ben geweest," en met een 'onberispelijke buiging verliet hij de kamer.

In de gang kwam hij echter den notaris tegen, die hem naar de boekenkamer bracht en daar een tijd lang met hem zat te praten.

Toen hij de kamer verlaten had, keken Soeurette en hare zuster elkander sprakeloos aan, totdat Anne Marie in een lachbui uitbarstte.

„Hoe kón je toch ?" vroeg Soeurette telkens.

„Wat wil je toch?" hakkelde de ander, naar lucht snakkend iusschen het lachen door.

Sluiten