Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De dominé had op beiden een prettigen indruk gemaakt en ze wachtten niet lang, een tegenbezoek te brengen.

Mevrouw Steenbergen zat niet in haar hut, daarvoor was het dien dag te regenachtig, maar was in haar serre, midden tusschen hare mooie bloemen en planten. Ze had beiden dadelijk op de haar eigen hartelijke manier verwelkomd, haar aan weerskanten van haar zitplaats een stoel aangewezen en zoo gezellig met ze gepraat, alsof zij haar al jaren kende. Er was niemand anders thuis en de meisjes hadden spoedig al hare verlegenheid verloren en praatten vrij uit.

„Ziet u" — zeide Mevrouw Steenbergen na een poosje — „buiten wonen is ook een kunst, evengoed als het wonen in de stad. U moet hier trouw uw tijd afbakenen; eerst wat flinke, gezonde inspanning, dan een prettige, wel verdiende rust. Er is geen mensch, die er op den duur tegen kan, tot niets nut te zijn. Ik geloof zóó sterk, dat God ieder mensch een of twee talenten meegeeft het leven in en wil dat wij die zullen gebruiken. Niemand wordt zoo maar voor de aardigheid geboren. God heeft een doel met ons leven en wij, menschen, hebben uit te vinden waartoe Hij ons roept. LT begrijpt wel hoe moeilijk het voor mij is, hier altijd te zitten en mijn werk in de gemeente niet te kunnen doen, dat mij toch zoo lief is. Nu zegt de Heer tot mij: „Zit stil en wacht, en Hij zendt mij het werk thuis."

Ze keek haar zoo trouwhartig aan bij die woorden, dat Soeurette tranen in de oogen kreeg, en toen ze weggingen zeide Mevrouw Steenbergen vriendelijk: „Komt urne nog eensspoedig bezoeken ? Misschien behoort het wel tot den u toebedeelden plicht, het leven van een oude, rheumatische dominé's vrouw wat op te vroolijken."

Toen zij naar huis liepen, was Soeurette heel stil en antwoordde weinig op al het gesnap van Anne Marie.

Maar toen ze 's avonds in bed lagen, het eene witte bed tegen

Sluiten