Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•den eenen wand van de kamer en het andere tegen den tegen•overgestelden, vlak bij de deur, en de maan haar vredig licht naar binnen zond, lag Soeurette zacht te snikken.

Hevig verschrikt sprong nu Anne Marie op. „Dat was in geen tijden meer gebeurd, sinds zij geen slechte cijfers voor gemaakt werk te betreuren had."

„Wat is er?" en zij boog zich over hare zuster heen. !

Soeurette antwoordde niet, maar snikte, alsof haar hart moest breken. „Wat heb je toch? Heb je pijn?" Eindelijk kwam het er uit: „Ik vind het zoo naar, dat moeder ziek is, wat missen wij toch veel, wat zouden we haar toch een boel kunnen Vragen, als ze gezond was. Er zijn zooveel dingen in 't leven die ik niet begrijp en die ik toch met moeder zou kunnen bepraten."

Anne Marie was op haar zusters bed gaan zitten en streelde zacht haar haren. „Je hebt mij toch?" zeide zij nu op zachten toon. „Je kunt mij toch alles vertellen ? Meisjes, die een moeder hebben, die niet ziek is, hebben soms ook maar weinig aan haar! Denk eens aan al de meisjes, die wij kennen!"

„Maar je hebt toch ook meisjes die veel aan haar moeder ;hebben."

„Maar die hebben dan weer andere dingen die onaangenaam zijn," opperde Anne Marie, die niet gaarne over treurige dingen dacht. „Je moet in 't leven dankbaar zijn voor hetgeen je hebt en niet verlangen naar de dingen, die je niet hebt, denk er nu eens goed over na, wie heeft nu zulk een Onkeltje als wij ? Het is hem nooit te veel, als je hem wat vraagt; hij is nooit boos op ons en hij heeft altijd die vriendelijke, goedmoedige uitdrukking op zijn gezicht. Ik kan mij nooit begrijpen dat hij indertijd geen vrouw heeft genomen, dan had hij nu misschien zelf een aardig troepje kinders en behoefde zich niet alleen te bekommeren om ons, van wie hij niets dan last ■en veel hoofdbrekens heeft."

Sluiten