Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Koud, hooghartig bedoel je zeker en koel afkeurend. Heb je dan nooit dien blik in zijn oogen gezien ? Neen I" vervolgde ze, het dennetakje in de lucht zwaaiend, om Kokko van eenige vliegen te verlossen, „ik kan nu eenmaal zulk soort menschen niet uitstaan, van wie je nooit weet wat ze denken, die nooit een woord te veel zeggen, die zich altijd op het goede oogenblik inhouden, en die met een koude verachting ons soort menschen bekijkt, welke altijd het hart op de tong hebben."

Dokter van Hoogsteden haalde zich op zijn verderen weg, zijns ondanks, telkens weer het aardige tafereel voor den geest dat hij pas had aanschouwd.

Hij was juist van een boerderij gekomen, waar hij lijkschouw had verricht en den kleinen eersteling van de jonge boerin bleek had zien neerliggen in de lage wieg, terwijl de moeder op de knieën snikkend ervoor lag.

Hij had getroost en moed ingesproken zooveel hij kon, maar als je pas je kindeke de oogen gesloten hebt, wil je niet vertroost worden, en met een nijdigen ruk had de dokter de deur van de deel achter zich toegetrokken en gedacht: Wat is er toch een droefheid op aarde en wat wordt er toch troosteloos geweend en wat kan men toch eigenlijk weinig voor een ander doen!

Nog geen honderd pas verder, toen hij even het bosch was ingereden, had hij den vroolijken, aanstekelijken, jongen lach gehoord. Zoo lacht men, als men jong en gezond is en niets meer te wenschen heeft; zoo lacht men ook, als men niets van de wereld afweet, „en met gesloten oogen door de wereld gaat" voegde hij er ietwat verontwaardigd bij.

Toen had hij ze gezien, Soeurette en Anne Marie, en den koppigen ezel, en den goedmoedigen, onverschilligen, ruigen herdershond, en hij had zich even afgevraagd, wie wel de aardigste van de twee zusjes was: de blonde of de donkere ?

De donkere scheen over het algemeen ernstiger dan de

Sluiten