Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„'t Is anders haast niet te begrijpen" vond Mevrouw Steenbergen, „hoe jong jullie moeder is gebleven, eenmaal was ze hier bij mij in den tuin, maar ze zag er niet veel ouder uit dan een van je beiden."

„Hebt u met haar kunnen praten?" vroeg Soeurette haastig.

„Neen! de gedienstige, die met haar was, poogde het wel aan haar verstand te brengen, maar zij praatte er telkens over heen ze sprak over de bloemen, en over haar eigen land, en wat daar wel bloeide."

„Dat is het juist," barstte nu Soeurette uit, en weer kwam er een tranenstroom te voorschijn, „we hebben geen moeder, we hebben maar een mooie lieve „Michon", zooals we haar altijd noemen, maar ze vraagt nooit naar iets van ons."

Nu streek Mevrouw Steenbergen, die haar stoel dichter bij dien van Soeurette had getrokken, haar zacht over het voorhoofd: „Maar je hebt toch een Vader in den Hemel, Die bracht je hierheen vanmorgen, vertel nu maar mijn kind alles wat er op je hart is."

En Soeurette vertelde, wel een beetje verward, wel wat onsamenhangend, ook viel zij wel eens in herhalingen,, maar zij vertelde al maar door, terwijl ze keek naar het „moedergezicht" voor zich, van Onkeltje en hoeveel hij altijd voor haar had gedaan, van Anne Marie en van zichzelf en van de onsympathieke tante Versteynen, die haar zoo ruw weg ineens had verteld hoe de dingen eigenlijk in elkaar zaten en of ze nu niet verplicht waren 'haar eigen brood te gaan verdienen, en of Mevrouw wist of je met schrijven veel kon verdienen, en of „Michon" verdrietig zou zijn als ze haar alleen lieten.

Mevrouw Steenbergen haakte nu achter elkaar door, en toen Soeurette ophield met spreken zeide zij: „Over dien lieven, kleinen notaris behoef je niet bedroefd te zijn. God heeft

Sluiten