Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de zon had genoeg geschenen en een bloemenweelde was er geweest in de tuinen en langs de wegen en op de heide, zooals alleen maar een mooie zomer die geeft. Hoevéél verwachting had er geleefd in haar harte! Wat ze verwacht had, ze had het zich zelf nooit bekend, maar dikwijls was ze op haar fietstochten op den gladden, mooien grintweg zoo maar in eens in zingen uitgebarsten, als ze zich zoo alleen wist onder den mooien blauwen hemel en als ze maar'telkens herhalen moest: „Wat is het toch heerlijk, om te leven!" .

Heerlijk om te leven, als je jong en knap bent en als je weet, dat je er aardig uitziet en de menschen graag naar je kijken en als je, opziende naar den hemel, schouwt naar het Vaderhuis met de vele woningen en als je de hand gelegd hebt in die van den ontfermenden Heiland en als je weet dat je mee moogt helpen om het leven van anderen een weinig dragelijker te maken en als je in menig huis ontvangen wordt als een halve heilige. Wie zou dan niet zingen en zeggen, dat het leven heerlijk was, en dat het een genot was te mogen leven!

't Gebeurt wel eens op een warmen zomerdag dat de zon, die zooeven nog in vollen luister scheen en alles kleuren en schitteren deed, in eens wegschuilt achter logge, grijze wolken, die grauwe nevels over de aarde hangen en alles dof en triestig maken. Zoo is het ook vaak in een menschenleven en ïlse had de laatste weken steeds gedacht dat de zon niet meer scheen, 't Was eigenlijk begonnen dien avond toen dokter van Hoogsteden, als naar gewoonte, bij hen zat thee te drinken. Vlak naast vader had hij gezeten in den prettigen, grooten stoel met de hooge leuning. Moeder had gezegd, dat ze hoofdpijn had en ze had Ilse opgedragen, voor de heeren thee te schenken, daar ze vroeg naar bed wilde. Later was er een ouderling gekomen, die had drie kwartier bij vader op de studeerkamer gezeten.

Sluiten