Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar dan had ik mijn trouw, ijverig meisje niet gehad!" zeide mevrouw Steenbergen, even de hand leggend op het gebogen blonde hoofd.

Ilse's oogen schoten vol tranen, straks drupten ze op haar werk. Gelukkig dat haar moeder met den rug naar haar toe stond. Ze zou maar even naar haar kamer gaan.

Toen ze boven was, legde zij het hoofd op de tafel en snikte, wat ze kon. „Wat gaf het nu, of je den Heer diende en altijd in de weer was, om goed te doen ? Wat gaf het ? Niets...." De begeerte van je hart kreeg je toch niet. Het stond wel in den Bijbel: „Hij zal u geven de begeerten uws harten." maar dat was vroeger misschien, of zij behoorde niet tot de menschen die het verdienden. Zij was maar een arm, ongelukkig menschenkind, dat afgunstig was en aan een ander niet gunde wat ze zelf niet verkrijgen kon.

En vóór haar lag het leven, het grijze eentonige leven. Neen! de zon zou niet meer schijnen voor haar. Het zou altijd dof en triestig en nevelig blijven. Over tien, twintig jaar zou het net zijn zooals nu. Ze zou werken en zwoegen, de gemeente doorkruisen in allerlei richtingen, zij zou van iedereen de moeite en het verdriet hooren, zij zou raad moeten geven en hulp verschaffen en menschen moed in spreken, maar zelf zou ze als levend gestorven zijn, en niemand zou haar kunnen helpen. Niemand 1 — Ilse zat er over na te denken, hoe wonderlijk het toch in de wereld was. Iedereen kwam tot haar moeder om raad en troost. Iedereen kon voor haar zonder moeite het hart openen, en zij, die haar het best kende, zou nooit met haar droefheid tot haar gaan. Ze zou er geen woord over kunnen spreken, het zou haar niet over de lippen willen. Ze zou er de menschen ook niets van laten merken, nooit!

Een juffrouw met een ongelukkige liefde ! ze lachte bitter.

Zt stond op en keek in haar spiegel. Een rood gevlekt gelaat en beweende oogen keken haar aan. Ongeduldig streek

Sluiten