Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij lacht heeft hij zoo'n prettige uitdrukking, ik kan wel begrijpen dat zieke menschen van hem houden.

„Vindt u het noodig dat ik zooveel goeds van u hoor?" kon ze niet nalaten te vragen.

„Ik ben bang dat het heel noodig is," antwoordde hij, en keek haar bij deze woorden met zoo'n veelzegge nden blik aan, dat ze de oogen neersloeg en eenige stappen naar voren deed, om te zien of de trein nog niet in aantocht was. Eensklaps keerde ze zich naar hem toe en vroeg zonder eenige inleiding:

„Gelooft u dat mijn moeder er eenigen verkeerden invloed van zou ondervinden als ik van hier wegging?"

„U?" vroeg de dokter verbaasd.

„Ja, ik."

„Maar waarom zoudt u weggaan?"

Soeurette had niet den tijd om te antwoorden, want daar kwam de trein aansnuiven, zij hoorde nog juist hoe dé dokter haar toeriep: „U moet er heusch niet aan denken,tenzij...." en een veelbeteekenende, vragende blik scheen haar tot antwoorden te willen dwingen.

Maar zij schudde het hoofd en riep plagend: „Maar ik ga!" en toen verloor ze hem uit het oog, want daar was Onkeltje, die met zijn drukke levendige beweginkjes kwam aantrippelen en heel verbaasd keek dat zij hem kwam afhalen.

Toen de trein langzaam wegreed, zag ze nog even hoe de dokter uit de coupé keek, en zijn hoed heel diep voor haar afnam, en ze dacht, onderwijl ze den notaris allerlei antwoord en gaf, hoe het toch mogelijk was dat Anne Marie zoo'n hekel aan dien dokter had. Het was toch een feit dat hij zijn werk prachtig opvatte, en wat was hij in den laatsten tijd beleefd! Vroeger had hij altijd iets stroefs, hij was misschien een van die menschen die zich niet dadelijk geven. Net als Ilse, die ook zoo teruggetrokken kon zijn. Anne Marie be-

Sluiten