Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voelde mij niet eens thuis bij jullie, ik vond alles zoo koud en zoo hygiënisch, en zoo braaf. De muren, die je met zoo'n trots aanwees, omdat men ze afzeepen kan, had ik wel vol willen hangen met platen en ik had wel overal dikke tapijten willen neerleggen en mooie, stevige, dikke gordijnen willen ophangen. Wat zijn we toch verschillend, en hoe komt het toch ? Waarom heb je mij ook zoo alleen gelaten? De eenige, die ik aardig vond, was de stoute Aurora met de mooie oogen — die, toen niemand het zag,* haar vuist balde tegen juffrouw Treesje. Ik was gisterenavond zoo verdrietig en ontmoedigd en zoo eenzaam en ik voelde mij zoo verongelijkt door jou, dat ik nog niet begrijp hoe ik 's avonds zoo gauw in slaap ben gekomen. — Maar, let wel, dat was alles gisteravond.

Vandaag schijnt de zon, vandaag doet zelfs de storm, die om het huis giert, mij goed. Onkeltje zit, terwijl ik je schrijf, tegenover mij thee te drinken. Hij kijkt heel nadenkend en staart in het vuur, zijn kleine, dikke, ronde handen heeft hij gevouwen op zijn vest. Af en toe zucht hij eens, zijn wangetjes zijn rooder dan ooit, hij blijft gelukkig vannacht logeeren, want hij vindt dat met zoo'n storm één man op Gerkestein niet genoeg is.

Ik zal je eens gauw vertellen, wat Onkeltje heeft. Maar eerst over vanmorgen, want het was een dag van veel emotie.

Vanmorgen kwam jouw dokter. Het was de dag dat hij Michon bezoeken moest. Ik heb altijd zoo met hem te doen, dat ik nu voortaan met hem spreken moet.

Onbeweeglijk en koel-voornaam zat hij in de voorkamer, ik kwam aanhollen — van buiten weet je — want de wilde windvlagen waren al te verrukkelijk, en ik had juist een jacht met Barry gehouden, en daar kwam ik aan, de haren wapperden om mijn hoofd, met den hond luid blaffend achter mij aan. Ik had moeite in eens weer heel plechtig te vragen, of hij vond dat er iets bijzonders met Michon was.

Sluiten